DE LEGSTRATEGIEEN  VAN VERSCHILLENDE LEEFTTIJDEN VAN NASONIA VITRIPENNIS

 

                         

Jurjen Swertz en Sander van Andel

Docent: M.J. Duchateau

Assisent: Tine

Populatie Biologie

23 septmeber 2002


SAMENVATTING

De centrale vraag in dit onderzoek is of leeftijd invloed heeft op de sexratio wat bepaald wordt door een bepaalde legstrategie. Dit is onderzocht door sluipwespen Nasonia vitripennis van verschillende leeftijden poppen te laten parasiteren van de Blauwvleesvlieg (Calliphora). De conclusie is dat er aan de hand van deze proef niet bewezen kan worden dat vrouwtjes minder mannetjes leggen naarmate ze ouder worden.

 

-----------------------------------------------------------------------------------------

 

 

 

INLEIDING

 

Nasonia vitripennis, de sluipwesp is een parasitair insect dat onderwerp is van onderzoek. Het parasitaire zit in het leggedrag: het vrouwtje legt haar eitjes in poppen van de Blauwvleesvlieg (Calliphora). Als de eitjes uitkomen na rijpingstijd van ongeveer 14 dagen, zijn het de mannetjes die als eerste uit de pop komen. Zo kunnen zij direct paren met de vrouwtjes als die uitkomen.

 Nasonia valt onder de groep Hymenoptera, dit wil zeggen dat ze een haploid-diploid paringssysteem hebben: de mannetjes zijn haploid, de vrouwtjes diploid. Het sperma van het mannetje slaat een vrouwtje op in de spermatheca. Een vrouwtje kan de sexratio bepalen door na paring een eitje te  bevruchen dat dan een vrouwtje wordt, of niet te bevruchten dat wordt dan een mannetje. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat sex-ratio be•nvloed kan worden door o.a. de tijd tussen paring en leggen, superparasitisme, kwaliteit en grootte van de gastheer (Tagawa 2000), aanwezigheid van soortgenoten en de leeftijd van het vrouwtje in kwestie (Velthuis et al. 1965). Afhankelijk van de omstandigheid past het vrouwtje haar strategie aan om meer mannetjes of meer vrouwtjes te leggen. King (1993) toonde aan dat de sex-ratioÕs sterk verschillen tussen legsel in een ongeparasiteerde pop en een tweede legsel in een al geparasiteerde pop. In de al geparasiteerde pop werden meer mannetjes gelegd dan in de ander. De theorie hierachter is dat het tweede vrouwtje op de pop meer mannetjes legt om een tweetal redenen: 1) Door meer mannetjes te produceren is de competitie  hoger voor de uitgekomen mannetjes van het vrouwtje dat als eerste geparasiteerd heeft; de mannetjes van het tweede vrouwtje kunnen niet alleen met hun uitgekomen zusjes paren, maar ook met uitgekomen vrouwtjes van het eerste vrouwtje op de pop, waardoor deze meer genen door geven. 2) Doordat er bij de tweede parasitering een beperktere hoeveelheid voedsel aanwezig is in de pop, is beter om meer mannetjes te leggen want deze hebben minder voedsel nodig.

                     


Grafiek 1:  verhouding tussen ouderdom en legsel

ONTBREEKT

 

Nadat een vrouwtje uitkomt kan ze in principe direct leggen, zij het alleen mannetjes. Volgens de ouderdom-legsel grafiek (pers. comm. Duchateau 2002) (zie grafiek 1) neemt de hoeveelheid eieren die door het vrouwtje gelegd kunnen worden, toe gedurende vier dagen na uitkomst en zwakt daarna af.

 

 

De redenering van King (1993) over de legstrategie van vrouwtjes die een pop voor de tweede keer parasiteren, gaf het idee dat er misschien een mogelijkheid is dat in het geval dat het eerste vrouwtje nog niet in staat is een pop helemaal vol te leggen, zij ook een legstrategie heeft die rekening houdt met superparasitering. Want als een vrouwtje met de genen van het tweede vrouwtje moet concurreren, kan zij dit het beste doen door meer mannetjes te leggen zodat de kans dat haar mannetjes zowel de zusjes als andere vrouwtjes bevruchten, groter is.

De centrale vraag in dit onderzoek is of leeftijd invloed heeft op de sexratio?

Er wordt gedacht dat leeftijd invloed heeft op de sexratio en de hoeveelheid nakomelingen. Als dit klopt dan zal een vrouwtje in verhouding minder mannetjes produceren naarmate ze ouder wordt omdat ze de vliegenpoppen voller kan leggen. 

Om dit te onderzoeken parasiteerden NasoniaÕs van  4 verschillende leeftijden poppen van de Blauwvleesvlieg.

 


MATERIAAL &  METHODE

 

Dit experiment is uitgevoerd met vier verschillende leeftijden van sluipwesp  (Nasonia Vitripennis). ). Elke leeftijd bestond uit een serie van 15 wespen behalve leeftijd 0 die uit 19 wespen bestond en leeftijd 2 die uit 12 wespen bestond. Alle vrouwelijke sluipwespen werden eerst 1 uur gepaard. Vrouwelijke wespen met leeftijden van 0 dagen oud tot en met 3 dagen oud parasiteerde de blauwvleesvlieg (Calliphora). De vrouwelijke wespen van 0 dagen oud werden vervolgens samen met drie ongeparasiteerde poppen in een dekschaaltje gelegd met tape eromheen. De andere sluipwespen kregen in een 5ml buisje, zolang als ze moesten wachten, elke dag drie nieuwe ongeparasiteerde poppen. Om de verschillen tussen leeftijden te verkrijgen werden de groepjes, geboren op dezelfde dag, steeds op gelijke wijze 1 dag later na elkaar ingezet

De parasitering werd bij elke groep na 23 uur be‘indigd. Vervolgens worden de geparasiteerde vliegenpoppen apart in 5 ml buisjes gedaan en voor twee weken in een klimaatkast van 28¡C gedaan. Nadat de wespen geboren waren werden deze in de vriezer gestopt. Een dag later worden de wespen per pop geteld en wordt de sexratio uitgezocht.

De gegevens zijn door twee verschillende duoÕs verzameld. De proef met sluipwespen van 0 dagen oud en van 2 dagen oud is uitgevoerd door Van den Heuvel en Janse, de proef van 1 dag oud en 3 dagen oud   is uitgevoerd door Swertz en Van Andel.

 


RESULTATEN

In figuur 1 is te zien dat na dag 2 de hoeveelheid geparasiteerde poppen afneemt. Dit correleert ook met figuur 2  waar na dag 2 ook het aantal geproduceerde nakomelingen afneemt. In figuur 3 is te zien dat de verhouding tussen mannetjes en vrouwtjes bij dag 0 globaal 1:2 is. Daarentegen is te zien dat bij dag 1, 2 en 3 de het verschil tussen de mannetjes en vrouwtjes veel groter is maar dat de verhouding man/vrouw wel ongeveer gelijk is tussen deze drie dagen. Deze uitschieter van dag 0 en de daarna volgende stabilisatie van de sexratio komt in figuur 3 goed naar voren.

Figuur 1: Het percentage poppen van de blauwvleesvlieg (Calliphora) geparasiteerd  door de sluipwesp (Nasonia Vitripennis) van verschillende leeftijden. (dag 0 n=19, dag 1 n=15, dag 2 n=12, dag 3 n=15)

Figuur 2: De gemiddelde aantal nakomelingen per vrouwtje van de sluipwesp (Nasonia Vitripennis) van verschillende leeftijden die in de poppen van de blauwvleesvlieg (Calliphora) heeft geparasiteerd. (dag 0 n=19, dag 1 n=15, dag 2 n=12, dag 3 n=15)

 

Figuur 3: De seksuele verdeling van de nakomelingen van de sluipwesp (Nasonia  Vitripennis) die de poppen van de blauwvleesvlieg (Calliphora) heeft geparasiteerd. De waarden zijn gemiddelden. (dag 0 n=19, dag 1 n=15, dag 2 n=12, dag 3 n=15) (n=aantal vrouwtjes)

 

Figuur 4: De gemiddelde male fraction sexratio van verschillende vliegenpoppen die

                 geparasiteerd zijn. (dag 0 n=24, dag1 n=26, dag2 n=23, dag3 n=25)

                 (n= hoeveelheid poppen)

 


DISCUSSIE

 

King (1993) toonde aan dat de sex-ratioÕs sterk verschillen tussen legsel in een ongeparasiteerde pop en een tweede legsel in een al geparasiteerde pop.

In deze proef is onderzocht of er ook een verschil is in sexratio is als de vrouwtjes minder eitjes kunnen leggen in een ongeparasiteerde pop.

Volgens de ouderdom-legsel grafiek (pers. comm. Duchateau 2002) (zie grafiek 1) neemt de hoeveelheid eieren die door het vrouwtje gelegd kunnen worden, toe gedurende vier dagen na uitkomst en zwakt daarna af. De resultaten van dit experiment zijn hier echter niet consistent aan. Het hoogtepunt van leggen in het experiment is bij een ouderdom van twee dagen en zwakt daarna af (zie figuur 2). Bij twee dagen legt een vrouwtje wel net zoveel als dat gevonden is door Velthuis et al. (1965), namelijk veertig. Maar bij de preparatie om 2 dagen oude Nasoniavrouwtjes  poppen te laten te parasiteren, is iets mis gegaan. Deze vrouwtjes hebben twee dagen in hetzelfde buisje gezeten met dezelfde 3 poppen. Het resultaat was een uitschieter tussen de andere resultaten m.b.t. geproduceerde nakomelingen(zie figuur 2). Dit komt doordat het vrouwtje van dag twee, twee dagen met dezelfde poppen zat die ze wel geparasiteerd  heeft, maar daarnaast ook een eiproductie had die ze niet kwijt kon in de poppen omdat die al vol waren. Hierdoor kon ze tijdens het experiment na aanbieden van nieuwe poppen net iets meer leggen dan de andere wespen.

Na dag 2 loopt het resultaat in nakomelingen al terug, terwijl uit de literatuur blijkt dat dat pas zou moeten gebeuren na dag vier. Gezien vanuit dit perspectief is juist dag3 een uitschieter. Deze afwijking valt niet te verklaren aan de hand van foutieve handelingen tijdens de preparatie, noch tijdens het experiment. Het kan dus gewoon een uitzondering zijn op de normale hoeveelheid nakomelingen zoals gevonden door Velthuis et al. (1965).

King (1993) toonde aan dat de sex-ratioÕs sterk verschillen tussen legsel in een ongeparasiteerde pop en een tweede legsel in een al geparasiteerde pop. Aan de hand hiervan is onderzocht of een jong vrouwtje rekening houdt met superparasitering zodat ze kan besluiten om meer mannetjes te leggen (in verhouding) om met een eventueel tweede vrouwtje te kunnen concurreren. De resultaten laten een sexratio van 0.26 (male fraction) zien voor nakomelingen van 0 dagen oude vrouwtjes, en een constant sexratio van rond 0.14 (male fraction) voor nakomelingen van 1, 2 en 3 dagen oude vrouwtjes (zie figuur 4). Het vrouwtje van dag 0 kan zo weinig nakomelingen produceren, dat zij rekening houdt met superparasitering door meer mannetjes te leggen voor een verhoogde concurrentiestrijd voor de vrouwelijke nakomelingen van het eventuele tweede vrouwtje.


CONCLUSIE

 

Onderzocht is of sexratio afhankelijk is van leeftijd en daarbij werd gekeken naar het aantal nakomelingen die per leeftijdscategorie geproduceerd werden. De resultaten van het laatste zijn consistent met de verwachtingen: meer nakomelingen naarmate het vrouwtje ouder is. In dit experiment loop het echter niet zoals Velthuis et al. (1965) gevonden hebben. De maximum legcapaciteit is in dit experiment veel lager voordat het al af begint te vlakken. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de omstandigheden als grootte van het vrouwtje, en legstimulatie, maar wordt door ons niet als relevant beschouwd.

De leeftijdafhankelijke sexratio valt alleen op bij vrouwtjes van dag0, voor nakomelingen van 1, 2 en 3 dagen oude vrouwtjes is dat constant. Wordt er gekeken naar de nakomelingen van dag 0, dan valt op dat het er slechts 15 gem. zijn. Voor een eventueel tweede vrouwtje was er dus nog zat ruimte in pop om het te superparasiteren. De conclusie is dat er aan de hand van deze proef niet bewezen kan worden dat vrouwtjes minder mannetjes leggen naarmate ze ouder worden.