Water opname in de wortel is volledig passief. Een deel van de wateropname wordt veroorzaakt door de verlaagde waterpotentiaal in de plant door de verdamping van water in het blad. De verdamping vindt plaats via de huidmondjes in de bladeren. Door de verlaagde waterpotentiaal wordt er water opgenomen om het verdampte water aan te vullen. Planten nemen ook water op onderinvloed van worteldruk. Worteldruk wordt veroorzaakt door een waterpotentiaalverschil tussen wortel en het milieu om de wortel. Dit waterpotentiaal veroorzaakt een water uitwisseling tussen deze twee milieus. Er is echter een actieve component in dit proces. De wortel neemt namelijk actief ionen op waardoor er een verschil in osmotische potentiaal ontstaat. Door dit verschil kan dus passief water worden opgenomen.
In deze proef wordt bekeken in welke verhouding
verdamping en worteldruk invloed op het watertransport hebben. Ook wordt
bekeken wat verschillende milieus voor een invloed hebben op de worteldruk. Dit
wordt gedaan aan de hand van twee verschillende planten sets. Met ŽŽn set wordt
de verdampingsnelheid gemeten. Met de tweede set wordt de bloedingsnelheid en de osmotische waarde van
het bloedingsap gemeten.
De plant die bij deze proef is gebruikt is de bruine boon (Phaseolus vulgaris). De materialen en de uitvoering van deze proef is zoals in practicum handleiding van Universiteit Utrecht plantenbiologie Propedeuse 2001-2002.
RESULTATEN
Tabel 1: Resultaat berekeningen
|
Oplossingen |
Bloeding
snelheid in μl s-1 |
Bloedingsnelheid in μl s-1 m-2 bladoppervlak |
Waterpotentiaal
(ys) van de oplossing in MPa |
Wortel
geleidbaarheid (Lp) in pl s-1 Pa-1 |
|
Voedingsoplossing
20¡C, 15 mM kg-1 |
0,041 |
3,5 |
-0,0357 |
0,608 |
|
Voedingsoplossing 35¡C, 15 mM kg-1 |
0,118 |
10,3 |
-0,0376 |
1,816 |
|
Kraanwater 20¡C, 0mM kg-1 |
0,044 |
3,8 |
0,0 |
0,43 |
|
10 mM KCl, 20¡C |
0,004 |
0,4 |
-0,0477 |
0,076 |
|
20 mM KCl, 20¡C, |
-0,004 |
-0,4 |
-0,0953 |
-0,583 |
|
50 mM KCl, 20¡C |
-0,015 |
-1,3 |
-0,2383 |
-0,107 |
1. Meting van verdamping
Bij kraanwater van 34ûC is de eerste set planten een uur lang geplaatst in licht. Bij een bladoppervlak van 203,5×10-4m2 was de verdampingsnelheid 40,5 μl s-1m-2. Bij kraanwater van 21ûC was dezelfde set planten een uur lang geplaatst onder dezelfde lichtomstandigheden als hiervoor. De verdampingsnelheid was 52,4 μl s-1m-2. Voor berekeningen en metingen, zie bijlage 1.
2. Meting van osmotische potentiaal bloedingsap en voedingsoplossing
De tweede set planten is geplaatst in een voedingsoplossing van 20ûC. Bij beide planten is het spruit een paar mm onder de cotylen afgesneden. Bij ŽŽn plant is het bloedingsap verzameld. De osmotische waarde van het bloedingsap was 43 mM kg-1.
Dit is een osmotische potentiaal van Ð0,1025 MPa. De osmotische waarde van de voedingsoplossing was 15 mOsmol kg-1. Dit is een osmotische potentiaal van Ð0,0357 MPa. Voor berekeningen en metingen, zie bijlage 2.
3. Meting van bloedingsnelheid
De andere plant van de tweede set planten is geplaatst in verschillende oplossingen. De metingen zijn verricht aan de hand van de hoeveelheid bloedingsap opgevangen in een pipet van 0,1 ml. Het bladoppervlak van deze plant was 114,5×10-4m2.
De eerste meting is gedaan bij de voedingsoplossing van 20ûC waarbij de plant ook is opgegroeid. Dit kan gezien worden als de controle meting. De bloedingsnelheid was 0,041 μl s-1. Dat betekent 3,5 μl s-1m-2 bladoppervlak. De waterpotentiaal (ys) was -0,0357 MPa. De wortel geleidbaarheid (Lp) was 0,608 pl s-1 Pa-1.
In dezelfde voedingsoplossing van 35ûC was de bloedingsnelheid 0,118 μl s-1, dus 10,3 μl s-1m-2 bladoppervlak. De waterpotentiaal (ys) was Ð0,0376 MPa. De wortel geleidbaarheid (Lp) was 1,816 pl s-1 Pa-1.
Met de wortels in kraanwater van 20ûC was de
bloedingsnelheid 0,044 μl s-1, dus 3,8 μl s-1m-2
bladoppervlak. De waterpotentiaal (ys) was 0 MPa. De wortel geleidbaarheid (Lp) was
0,43 pl s-1 Pa-1.
Voor berekeningen en metingen zie bijlage 3.

Bij deze metingen wordt nog steeds dezelfde plant in verschillende KCl oplossingen geplaatst. Bij 10 mM KCl oplossing van 20ûC was de bloedingsnelheid 0,004 μl s-1, dus 0,36 μl s-1m-2 bladoppervlak. De waterpotentiaal (ys) was Ð0,048 MPa. De wortel geleidbaarheid (Lp) was 0,076 pl s-1 Pa-1.
Bij een verhoging van de oplossing tot 20 mM was de bloedingsnelheid -0,004 μl s-1, dus -0,36 μl s-1m-2 bladoppervlak. De waterpotentiaal (ys) was Ð0,095 MPa. En de wortel geleidbaarheid (Lp) was Ð0,0583 pl s-1 Pa-1.
Bij 50 mM KCl oplossing was de bloedingsnelheid Ð0,015 μl s-1, dus Ð1,3 μl s-1m-2 bladoppervlak. De waterpotentiaal (ys) was Ð0,238 MPa. De wortel geleidbaarheid (Lp) was Ð0,107 pl s-1 Pa-1.
Voor berekeningen en metingen zie bijlage 3.

Discussie
Er zijn enkele bedenkingen bij deze proef. Ten eerste zijn de metingen voor de bloedingsnelheid bij verschillende milieus gedaan op een en dezelfde plant. Om deze metingen te doen wordt het spruit van de plant afgesneden. De plant is niet meer in staat om door middel van de fotosynthese zichzelf van energie te voorzien. De ATP en suiker voorraad raakt op omdat er geen assimilatie meer plaats kan vinden. Actieve opname van ionen zal hierdoor afnemen. Dit heeft invloed op de hoeveelheid water die opgenomen kan worden en dus ook op de bloedingsnelheid. Om deze onnauwkeurigheid te controleren zou voor elke meting een andere plant moeten worden gebruikt. Deze planten zouden bij een zo goed mogelijk op elkaar gelijkende omstandigheid moeten zijn opgegroeid. Zo zou elke bloedingsnelheid gemeten kunnen worden vanuit een meer gelijke beginomstandigheid.
Uit de metingen die zijn gedaan
met de plant in de voedingsoplossing bij 20ûC en 35ûC blijkt dat de
bloedingsnelheid (0,041
μl s-1 en 0,118 μl s-1)
toeneemt bij
een hogere temperatuur. De waterpotentiaal wordt bij temperatuurstoename een
klein beetje meer negatief. Bij een hogere temperatuur kunnen de eiwitten in de
membranen actiever zijn. De eiwitten kunnen meer ionen actief opnemen. Hierdoor
kan er passief meer water worden opgenomen, waardoor de bloedingsnelheid
toeneemt.
Water stroomt van een hoge water
potentiaal naar een lagere
potentiaal oftewel van een minder negatieve naar een meer negatieve potentiaal.
De osmotische potentiaal van het bloedingsap (43 mM kg-1) is ys= -0,1025 MPa. Bij
een toenemende concentratie KCl (10 mM, 20 mM en 50 mM) wordt de
waterpotentiaal steeds meer negatief (zie tabel 1). Het potentiaalverschil
tussen de oplossing en het
bloedingsap wordt steeds kleiner. De worteldruk neemt af, waardoor de
bloedingsnelheid ook af neemt.
Bij een concentratie van 20mM KCl wordt de bloedingsnelheid nul en
vervolgens zelfs negatief (Ð0,004 μl s-1). Een concentratie van
20mM KCl betekent een waarde van 40 mOsmol kg-1. Dit ligt heel dicht
bij de osmotische waarde van het bloedingsap. De waterpotentiaal is ys= -0,0953 MPa. Dit
ligt zodanig dicht bij de osmotische potentiaal van het bloedingsap (ys= -0,1025 MPa) dat er
niet voldoende potentiaal verschil is om nog water op te nemen. Hoewel er nog
een klein verschil is, klopt dit omslag punt toch heel behoorlijk. De
osmotische potentiaal van het bloedingsap is slechts eenmaal gemeten in het
begin van de proef toen de plant in de voedingsoplossing stond. De gemeten
waarden bij de 20mM KCl oplossing zijn op dezelfde plant pas na vier andere
metingen in verschillende oplossingen gemeten. Het zou kunnen dat de osmotische
potentiaal van het bloedingsap intussen een beetje veranderd is.
Uit de metingen van de verdampingsnelheid blijkt dat de verdamping afneemt
bij een temperatuurstijging. Bij 21ûC is de verdampingsnelheid 52,4 μl s-1m-2
bladoppervlak. Bij 34ûC is de verdampingsnelheid nog maar 40,5 μl s-1m-2
bladoppervlak. Bij een
hogere temperatuur gaat de plant effici‘nter om met zijn waterhuishouding. De
huidmondjes gaan minder vaak open, waardoor er minder water verloren gaat. Er
is minder trekkracht vanuit de bladeren waardoor er minder water wordt opgenomen.
De bloedingsnelheid bij kraanwater van 20ûC is 3,8 μl s-1m-2.
De verdampingsnelheid bij bijna gelijke omstandigheden, 21ûC is 52,4 μl s-1m-2.
De hoeveelheid water dat de plant transporteert is duidelijk veel groter
wanneer er wel verdamping plaats kan vinden. Hier uit valt te concluderen dat
verdamping een veel grotere rol speelt voor de totale waterstroom van een plant
dan de worteldruk. Wanneer de plant in het donker zou staan, zal het aandeel
van de worteldruk groter zijn omdat de verdamping in het donker minder is. Er
vindt namelijk geen fotosynthese plaats.
TIJD |
GEWICHT |
TEMPERATUUR |
|
0 |
205,83 gram |
36¼C |
|
60 min. |
202,86gram |
31.5¼C |
Afname gewicht 205,83-202,86=2.97 gram
Gezien we over water spreken mag de gewichtsafname gelijk worden gesteld
aan de volume afname.
Verdampingsnelheid= Vs = Δvolume/tijdábladopp.=
2970/60á60á203,5á10-4 = 40,5 μl m-2 s-1
TIJD |
GEWICHT |
TEMPERATUUR |
|
0 |
196,86 |
21¼C |
|
60 min. |
193,02 |
21¼C |
Gemiddelde temperatuur 21¼C
Afname Gewicht 196,86-193,02=3,84 gram
Vs = 3840/60á60á203,5á10-4 = 52,4 μl m-2
s-1
Bijlage 2
ys = - R T c
R
Ð gasconstante (8,134)
T
Ð temperatuur in Kelvin
c
- concentratie deeltjes in mol per liter
Osmotische waarde voedingsoplossing: 15 mOsmol kg-1
ys = -8,134 × 293 × 15 = -35749 Pa = -0,035 MPa
Osmotische waarde bloedingsap : 43 mM
Osmotische potentiaal:
ys = -8,134 × 293 × 43 = -102480 Pa = -0,1025 MPa
Berekeningen van de gegevens uit tabel 1
Van elke soort berekening een voorbeeld met de gegevens van de meting de
uitscheiding het de bloedingsap met een voedingsoplossing 15 osMol van 20ûC.
39 ml / (16×60) = 0,041 ml s-1
Bloedingsnelheid in ml s-1/ bladoppervlak
in m2 =
0,041 ml s-1 / 114,5 × 10-4 m-2 =
3,5 ml s-1 m-2
ys = - R T c =
-8,134 × 293 × 15 = -35749 Pa = -0,0357 MPa
Wortel geleidbaarheid :
Lp = Jw
/ D ys =
0,041 × 106 / -0,0357 -
-0,1025 = 0,609 pl s-1Pa-1